Het Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (Vautierstraat, 20) is een instelling van de Belgische federale Staat. Het doet intensief aan wetenschappelijk onderzoek, vervult diensten van openbaar nut en staat voor iedereen open via het Museum voor Natuurwetenschappen. Het bestaat uit gebouwen die dateren van verschillende periodes en die in de loop der tijden verbouwingen, aanpassingen en renovaties hebben ondergaan.
In het begin van de jaren 2000 werd het plan opgevat voor een totale renovatie van de Janletvleugel. Deze vond plaats van 2003 tot 2009 in twee afzonderlijke fasen.
In februari 2009, nieuw gebeuren : de opening van de galerij van de evolutie/gradinzaal, die meesterlijk gerenoveerd werd door de Regie der Gebouwen. Dank zij de Regie kreeg het Museum voor Natuurwetenschappen een tentoonstellingsruimte terug die lange jaren gesloten was gebleven.
De nieuwe vleugel, gebouwd van 1898 tot 1905, paalt aan één kant aan het klooster en staat loodrecht op de as ervan; hij bestaat voornamelijk uit twee lange naast elkaar liggende volumes. In het eerste volume zorgt een dakkoepel voor een natuurlijke verlichting van een tentoonstellingszaal die het meest gekend is bij het publiek om haar beroemde skeletten van de iguanodons die gevonden werden in een steenkoolmijn in Bernissart. Deze ruimte is volledig opgebouwd uit ijzer, baksteen en cement met als overheersend element het glas. De nieuwe vleugel is verbonden met het klooster door een trappenhuis en door een monumentale trap met bovenaan een olifant als focuspunt.
In 1936 werden glazen kooien gebouwd rond de iguanodons. Deze grote tentoonstellingskasten bleven in gebruik tot in 2005 maar werden verwijderd toen de zaal gerenoveerd werd.
Het tweede volume, grenzend aan het eerste, bestaat uit een gelijkvloerse verdieping met tussenverdieping, een eerste verdieping met kantoren voor de onderzoekers en een tweede verdieping met een tentoonstellingszaal met verschillende niveaus waar getrapte vitrinekastjes werden gemonteerd. Een dakkoepel die de noordelijke dakhelling vormt, zorgt samen met de grote vensters in de zuidelijke gevel voor een overvloedige natuurlijke lichtinval.
De Vesteltoren
Nog altijd wegens plaatsgebrek keurden de autoriteiten, in de jaren ‘30, het uitbreidingsproject van architect Lucien De Vestel goed. Deze ontwierp een hoge toren die een emblematisch monument van de hoofdstad is geworden. De ruwbouw was voltooid vóór de aanvang van de Tweede Wereldoorlog. De werken werden echter stilgelegd tijdens de oorlog en nadien sleepten ze nog vele jaren aan. Pas begin de jaren ’80 was de toren afgewerkt.
In 1948 werd het « Koninklijk Natuurhistorisch Museum » herdoopt tot « Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen » om te onderstrepen dat het om een instelling voor wetenschappelijk onderzoek gaat. Tegenwoordig echter wordt de benaming ‘Museum voor Natuurwetenschappen’ gewoonlijk gebruikt om te verwijzen naar de activiteiten die gericht zijn op het grote publiek.
In de jaren ‘50 wordt ook het gebouw van de Belgische Geologische Dienst, evenwijdig met de Janletvleugel, opgericht naar een ontwerp van architect De Vestel, alsook drie bijgebouwen die met de Janletvleugel verbonden zijn.
Jaren ’80
Het klooster werd gerenoveerd in de loop van de jaren ’80 en huisvest sedertdien talrijke zalen zoals de tentoonstellingszaal van de walvissen en het sfeerbeeld van de noordpool en de zuidpool.
Ondertussen werd de bovenste verdieping van de Janletvleugel gesloten om veiligheidsredenen.
Oorspronkelijk situeerde de toegang tot de Janletvleugel zich aan de voorkant van het gebouw, aan de kant van het Leopoldpark. Na de uitbreiding van het Instituut met de De Vesteltoren werd de hoofdingang verplaatst naar de Vautierstraat.
Tijdens de renovatie van de kloostervleugel werd de trap die leidde van de iguanodons naar de olifant vervangen door een dubbele wenteltrap, in de vorm van een reuzegroot DNA-spiraal, waardoor de verbinding tussen de Janletvleugel en het klooster verbroken werd. Deze opeenvolgende ingrepen hebben de logica van de oorspronkelijke architectuur ingrijpend gewijzigd : de Janletvleugel werd feitelijk en visueel afgescheiden van de andere gebouwen van het Instituut.
Jaren ’90
Tussen januari 1996 en oktober 1998 vond een derde uitbreiding plaats waarbij het binnenplein overdekt werd en een nieuw verbindingsgebouw geconstrueerd werd.
Jaren 2000
In het begin van de jaren 2000 werd het plan opgevat voor een totale renovatie van de Janletvleugel. Renovatie die uitgevoerd werd van 2003 tot 2009 in twee afzonderlijke fasen.
RENOVATIE VAN DE JANLETVLEUGEL
Fase 1 – Voorbereidende werken in de geologievleugel
Tussen april 2003 en maart 2004 werden voorbereidende werken uitgevoerd in de geologievleugel. Zo werden de labo’s op niveau –4 heringericht en werd een overdekte verbindingstrap gebouwd tussen de geologievleugel en de Janletvleugel.
Om de renovatiewerken van de Janletvleugel te vergemakkelijken, werd de kelderverdieping van de geologievleugel omgevormd tot opslagruimte met compactusarchieven, zodat hier de collectiestukken van de Janletvleugel tijdens de restauratiewerken tijdelijk konden worden ondergebracht. Er werd een tussenverdieping gebouwd (niveau 0) waar een deel van de kantoren van de Janletvleugel gehuisvest werden. Ook het niveau -1 werd aangepakt met het oog op zijn latere herinrichting tot leeszaal voor de bibliotheek van het Instituut.
Fase 2 – Renovatie van de Janletvleugel
Aangezien de structuur van de Janletvleugel niet afgestemd was op diens dubbele functie, namelijk een instelling voor wetenschappelijk onderzoek en een museum, was een reorganisatie absoluut noodzakelijk. De circulatiewegen voor het publiek dienden gescheiden te worden van die welke uitsluitend bestemd waren voor de wetenschappers. Bovendien moest de feitelijke verbinding tussen de verschillende vleugels van het Instituut verbeterd en vergemakkelijkt worden.
Toen architect Janlet het gebouw ontwierp, koppelde hij reeds het architecturaal concept aan het museumconcept. Dit blijkt uit de wijze waarop het daglicht binnenvalt in het gebouw, uit de ‘getrapte’ constructie van de tentoonstellingsruimten, uit de voorstelling van de collecties in modulaire uitstalkasten, enz.
Maar een museumconcept evolueert met de tijd. Tegenwoordig wordt voorrang gegeven aan de kwaliteit in plaats van aan de kwantiteit, een reden waarom het Museum de voorstellingswijze van de collectie wenste te herzien.
Overigens mochten, om veiligheidredenen, de tussenverdieping van de grote tentoonstellingszaal (de Galerij van de Dinosauriërs) en de « gradinzaal » op de 3de en 4de verdieping ook al niet meer worden gebruikt, wat de mogelijkheden van het Museum beperkte.
In de kelderverdieping was er een tekort aan opslagruimte om de uitgebreide collecties van het Instituut onder te brengen. Ook de labo’s moesten worden gerenoveerd.
De renovatie van de Janletvleugel werd onderverdeeld in drie delen : eerst de onderzoeksinstelling met haar collecties, vervolgens het Museum met de grote tentoonstellingszaal met de skeletten van Bernissart (de Galerij van de Dinosauriërs) en, ten slotte, de nieuwe circulatietoren, de optimalisering van het museumcircuit en de nieuwe « gradinzaal/galerij van de evolutie ».
De onderzoeksinstelling en haar collecties
De opslagplaatsen in de kelderverdieping werden heringericht door een deel van de bestaande opslagcapaciteit te behouden en een nieuwe, compacte archiefzone toe te voegen. Ook nog in de kelderverdieping werden de labo’s anders ingericht; ze werden tevens verbonden met de labo’s van de geologievleugel. De kantoren op de 1ste verdieping werden eveneens heringericht. Er werd een functionele verbinding met de bewaarplaatsen tot stand gebracht dank zij de installatie van een lift. De circulatiewegen van het publiek en het personeel werden gerationaliseerd en van elkaar gescheiden.
Het Museum : de grote tentoonstellingszaal met de skeletten uit Bernissart / de Galerij van de Dinosauriërs
De toegankelijkheid en de overzichtelijkheid van de Janletvleugel werden verbeterd door een rechtstreekse toegang tot de grote tentoonstellingszaal : een overdekte doorgang vanaf de hoofdingang. De verbinding tussen de kloostervleugel en de Janletvleugel werd gerestaureerd: de monumentale trap werd heropgebouwd.
De iguanodons uit Bernissart werden optimaler opgesteld; ze werden verplaatst naar de zone net onder de dakkoepel. Een deel van de skeletten wordt rechtopstaand voorgesteld, terwijl andere skeletten tentoongesteld worden zoals zij in situ werden gevonden. Door de nieuwe opstelling van de iguanodons krijgt de bezoeker opnieuw een algemeen zicht op de tentoonstellingszaal van zodra hij de grote tentoonstellingszaal via de tussenverdieping betreedt.
Tijdens de renovatie werd de oorspronkelijke staat van de grote tentoonstellingszaal in ere hersteld rekening houdend met de eisen van het Museum op het gebied van verlichting, ventilatie, diverse technische voedingen, controle van het daglicht,...
De nieuwe « circulatietoren », de optimalisering van het museumcircuit en de nieuwe « gradinzaal/galerij van de evolutie »
Het museumparcours werd uitgebreid met een nieuwe, verticale circulatietoren. Deze geeft vanaf de gelijkvloerse verdieping toegang tot het publieke deel van de kelder (« de vindplaats van de iguanodons »), tot de tussenverdieping en tot de « gradinzaal ».
De nieuwe « circulatietoren » beantwoordt aan de voorschriften inzake de brandveiligheid en de toegankelijkheid van het gebouw voor personen met beperkte mobiliteit. De tussenverdieping werd hierdoor opnieuw opgenomen in het museumcircuit.
Op de 4de verdieping wordt de bezoeker via een in glas uitgevoerde voetgangersbrug van de « circulatietoren » geleid naar de « gradinzaal », die zo wordt genoemd omwille van de helling van de zaal in de dwarsrichting. Deze zaal, die sinds vele jaren gesloten was voor het publiek om redenen van brandveiligheid en evacuatie, werd volledig gerenoveerd. Thans is deze prachtige, vernieuwde ruimte opnieuw opgenomen in het museumcircuit en huisvest ze de Galerij van de evolutie.
De renovatie heeft toegelaten een evenwicht te vinden tussen, enerzijds, het behoud van de bestaande structurele elementen en, anderzijds, de omvorming van de ruimte tot een hedendaagse tentoonstellingszaal. De metalen draagstructuur van de geraamten, de metalen ramen, de dakramen, het hellend vlak, een deel van de oorspronkelijke vitrines en de parketvloer werden gerestaureerd.
Door een nieuw ‘hoog’ en ‘laag’ circuit werd een lusvormig tentoonstellingsparcours aangelegd voor de bezoeker. Het ‘hoog’ en ‘laag’ circuit zijn met elkaar verbonden door trappen en liften die voorbehouden zijn voor de personen met beperkte mobiliteit en die gelegen zijn aan beide kanten van de zaal.
In een klein bolvormig auditorium krijgt de bezoeker, vooraleer zijn bezoek aan te vangen, uitleg over de tentoonstelling. Alle speciale technieken van de zaal zijn vernieuwd en laten een nieuw gebruik toe dat voldoet aan de eisen inzake brandveiligheid, verlichting, verwarming, elektrische uitrusting,...
De museale inrichting van de « gradinzaal/galerij van de evolutie » werd gerealiseerd door het Atelier de l’Île, in samenwerking met de diensten van het Museum.
TECHNISCHE FICHE
Eigenaar Belgische staat
Gebruiker Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen
Ruwbouw en afwerking: Bouwheer: FOD Mobiliteit en Vervoer Afgevaardigd bouwheer: Regie der Gebouwen HVAC, elektriciteit en liften: Bouwheer: Regie der Gebouwen
Kostprijs 22 800 000 € incl. BTW - waarvan 11 800 000 € via Beliris - en 11 000 000 € via de Regie der Gebouwen
Duur van de werken Start van de werken: april 2004 Galerij van de Dinosauriërs en de verbindingstoren: 2005 – oktober 2007 Galerij van de Evolutie en de in glas uitgevoerde voetgangersbrug: 2007 – februari 2009
BIBLIOGRAFIE
Brussel – Museum voor Natuurwetenschappen - Brochure - Leaflet, Regie der Gebouwen, Persdienst, Brussel, februari 2009.